Vermoeden van vergunning

Als u een gebouw of constructie wil (ver)kopen, verbouwen of herbouwen, is het belangrijk te weten of er al dan niet een vergunning voor bestaat en er dus geen sprake is van een bouwmisdrijf. Voor oude gebouwen en constructies is het vaak moeilijk om de vergunningstoestand te achterhalen. Daarom werd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening het vermoeden van vergunning in het leven geroepen.

Er bestaan twee soorten vermoedens van vergunning:

  1. Er is een onweerlegbaar vermoeden van vergunning voor constructies waarvan kan worden aangetoond dat ze werden opgericht vóór 22 april 1962.
  2. Er is een weerlegbaar vermoeden van vergunning voor constructies waarvan kan worden aangetoond dat ze werden opgericht in de periode vanaf 22 april 1962 en voor september 1977. Dit vermoeden kan dus door de overheid weerlegd worden, maar het enige geldige tegenbewijs is een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.

Om een vermoeden van vergunning in te roepen dient u bewijzen aan te leveren. Als geldig bewijs gelden:

  • Kadastrale uittreksels of plannen
  • Gedateerde foto’s
  • Postkaarten
  • Bewijs van inschrijving in bevolkingsregister
  • Bewijzen kadastraal inkomen
  • Facturen
  • Rekeningen van nutsvoorzieningen
  • Notariële aktes
  • Getuigenverklaringen

Let wel: uit deze bewijzen moet blijken dat de constructie in zijn huidige vorm als ‘vergund geacht’ kan worden beschouwd.

Aan de hand van de door u aangeleverde bewijzen en een intern onderzoek zal het college van burgemeester en schepenen beslissen of een constructie als "vergund geacht" kan worden beschouwd. Wanneer het college een weigering uitspreekt, dan heeft u als aanvrager nog de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen deze beslissing bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. 

Op de website van het Departement Omgeving vindt u meer informatie over het vermoeden van vergunning.